Wichelroede test van 14 juni 2008


Deel 1: "De vergeten prikkel"
(W.T.Zanstra)

  • Inleiding
      In 1996 komt de spreker in aanraking met het fenomeen wichelroedelopen, als medewerkers van de wegenbouw bezig zijn om waterleidingen op te sporen in verschillende tuinen. Al heel snel wordt duidelijk dat het niet moeilijk is om deze vaardigheid aan te leren en worden er experimentjes bedacht om inzicht te krijgen in de achtergronden. Het blijkt te gaan om een effect dat in het lichaam ontstaat en dat door de wichelroede zichtbaar gemaakt wordt. Het zou kunnen zijn dat daar weer elektrische en magnetische veldvariaties aan ten grondslag liggen, maar er zijn ook andere mogelijkheden te bedenken, zoals het ideomotorisch effect.

      In de zomer van het jaar 2001 wordt een grote inslagkrater in Duitsland (de Rieskrater) met behulp van de wichelroede in kaart gebracht, waardoor de rand en het binnengebied perfect van elkaar kunnen worden onderscheiden. De rand bestaat uit ijzerhoudende steenbrokken die grillig door elkaar liggen, terwijl het binnengebied gevormd is uit een dikke laag kalksteen. Publicatie van dit onderzoek is niet gelukt vanwege het gebruik van de wichelroede.

      In 2006 begint de Stichting Weer- en Sterrenkunde Eemsmond met het organiseren van workshops om meer mensen bij het wichelroedelopen te betrekken, aan te tonen dat het met behulp van de wichelroede mogelijk is om op bepaalde objecten te reageren en een basis te leggen voor een gedegen wichelroedetest.
      Tijdens een open dag in het UMCG in 2007 wordt contact gelegd met dr. R. Kortekaas die zich bereid verklaart mee te werken aan de activiteiten die ertoe kunnen leiden dat het mysterie rond het wichelroedelopen wordt opgelost.
  • Het wichelroede effect, mogelijke verklaringen
      Het wichelroede effect zou verklaard kunnen worden door het optreden van minuscule spierbewegingen in de onderarmen. De beweging van de wichelroede, die in bijna labiel evenwicht wordt gehouden, is dan een reactie op deze spierbewegingen. Door variaties van elektrische en/of magnetische velden rondom de zenuwbanen in het lichaam ontstaan daarin stroompulsjes (informatie) die naar de hersenen gaan. Op hun beurt sturen de hersenen d.m.v. andere stroompulsjes de spieren aan. De voortplanting van de elektrische signaalimpulsen in het zenuwstelsel gebeurt op elektrochemische manier. Het effect moet buiten het lichaam aan te tonen zijn d.m.v. bijvoorbeeld een EEG.

      Een mogelijke andere verklaring voor het wichelroede effect is afkomstig van Chevreul (1810) en Carpenter (1852). Volgens hen worden door een zekere voorkennis onbewust door de hersenen (ideomotorisch) de spieren in de armen aangestuurd. Dit zou overigens ook het geval kunnen zijn met de voorkennis over het elektromagnetisme. Natuurlijk is het denkbaar dat ook andere verklaringen een rol kunnen spelen. Bij de wichelroedetest op 14 juni 2008 is het de bedoeling om niet bij voorbaat van een bepaalde verklaring uit te gaan, maar in ieder geval een criterium van goed en fout van de deelnemers zelf te laten afhangen.
  • Vragen voor de wichelroedetest
      Kan het bestaan van het wichelroede effect (minuscule spierbewegingen) door middel van een (statistisch) onderzoek worden aangetoond? Indien het antwoord bevestigend is, kunnen ook de volgende vragen worden gesteld.
      Worden de minuscule spierbewegingen veroorzaakt door een directe prikkel van elektrische en/of magnetische veldvariaties, of door een onbewuste ideomotorische kracht ten gevolge van een zekere voorkennis (vermoeden) van het te onderzoeken object? Zijn er nog andere oorzaken te vinden voor het wichelroede effect, of met andere woorden: bestaan er ook prikkels die niet van ideomotorische, elektrische of magnetische oorsprong zijn?
  • De test van 14 juni 2008
      De test vindt plaats in de schuur (testruimte) van een boerderij in Krewerd. De testen zijn gebaseerd op 20 onafhankelijke binaire deeltestjes, verdeeld over het oppervlak van de schuur. Als criterium van goed en fout wordt aangenomen dat de lopers van tevoren individueel aangeven, waarop zij met een zichtbare wichelroedereactie menen te reageren. Tevens bepalen de lopers ieder voor zich de storingen in de testruimte. Als tweede criterium van goed en fout dient ter vergelijking de aanname, dat het lichaam met kleine spierbewegingen reageert op veranderingen in elektrische en/of magnetische velden en dat de spierbewegingen zichtbaar worden met behulp van een wichelroede. De storingen in de testruimte zijn dan van elektrische en/of magnetische aard.
      Tenslotte wordt bij de beoordeling van de testresultaten ervan uitgegaan dat de kans op het verkrijgen van een reactie waar dat wordt verwacht is gelijk aan de kans op het verkrijgen van geen reactie waar dat eveneens wordt verwacht. Tijdens de test wordt door drie personen controle uitgeoefend. Twee anderen zijn aangewezen om de objecten "neer te leggen". Waar nodig wordt het verkrijgen van voorkennis bij de deelnemers voorkomen. De test is op te vatten als een binomiaal experiment met n gelijke deelexperimentjes. De uitkomsten worden eenzijdig aan het toeval getoetst met een binomiale kansverdeling B(n, 0.5) en een onbetrouwbaarheids-drempel alpha = 0,05. Het bijbehorende kritieke gebied is te bepalen met een grafische rekenmachine (functie binomcdf ). Er doen 22 deelnemers mee aan de test die ieder drie maal met de wichelroede een traject moeten lopen dat bestaat uit 20 posities.
      Bovendien is er een keuze uit 20 objecten die open of blind al of niet op de posities worden geplaatst en waarop al of niet met de wichelroede gereageerd kan worden.
  • Verwachtingen en storingen - Test 1
      Voorafgaand aan de testen geven de lopers op de objectenlijst met een kruisje aan op welke voorwerpen zij denken te reageren. Als eerste test kunnen de lopers zich individueel langs het zichtbaar lege traject bewegen. De positienummers zijn op de vloer af te lezen. Deze test is bedoeld als een nultest, om een eventuele invloed van de testruimte te kunnen registreren. Daarmee kan dan bij het verdere verloop van de testen rekening worden gehouden. Het in bovenstaande bedoelde criterium van goed en fout is hiermee voor elke loper afzonderlijk vastgelegd.

      Uit de resultaten van dit gedeelte van de test blijkt dat er geen duidelijke eenstemmigheid onder de lopers is ten aanzien van hun verwachtingen en de storingen in de testruimte. Uit de verwachtingen per object is wel een zekere mate van overeenstemming af te lezen. Vooral op de objecten met elektrische en magnetische eigenschappen denkt men te reageren. Er lijkt sprake te zijn van een zekere benvloeding tijdens de workshops. Verder wordt bijna elke positie in de testruimte wel enkele malen als storingsbron aangewezen. Bij de volgende testen wordt overigens bijna de helft van deze "storingen" niet meer terug gevonden.
  • Een open test - Test 3
      Bij deze test worden de 20 objecten open en bloot op een willekeurige wijze in de covers (emmertjes) langs het traject gelegd. De 22 lopers bewegen individueel langs het traject en kunnen in dit geval zien waarop ze al of niet moeten reageren. Zij kunnen de positienummers op de vloer lezen om aan te kunnen tekenen waar zij een reactie hebben gehad. De nummers die op de objecten zijn geplakt zijn voor de lopers niet zichtbaar zijn om verwarring te voorkomen. Bij de beoordeling van de test wordt behalve de toepassing van in het voorgaande genoemde criteria van goed en fout ook onderscheid gemaakt tussen twee categorien van goede uitkomsten. Enerzijds kan een goede uitkomst worden verkregen met een uitslag van de wichelroede waar dat verwacht wordt, terwijl dat ook mogelijk is zonder een uitslag van de wichelroede waar dat eveneens verwacht wordt. Er wordt gekeken naar het aantal van de 22 lopers met een score die in het kritieke gebied van de binomiale toevalsverdeling is terechtgekomen en waarvan de uitslag dus niet meer als toeval kan worden gezien. Het resultaat van deze test ziet er dan als volgt uit. Volgens de individuele normen zijn er 5 lopers met hun goede uitslagen in het kritieke gebied terecht gekomen. Wordt gekeken naar de goede uitslagen waarbij een wichelroedereactie is vereist dan bedraagt dit aantal nog maar 1, terwijl er 6 lopers in het kritieke gebied kwamen met goede uitslagen waarbij geen wichelroedereactie vereist was. Van het totaal aantal mogelijke goede uitslagen met wichelroedereactie wordt door alle lopers een score van 49% gehaald en zonder wichelroedereactie 69%. Er is een geringe overeenkomst tussen de lopers onderling en met de eigen verwachting van de lopers. Ook is er een duidelijk verschil opgetreden tussen de percentages scores met wichelroedereactie en scores zonder reactie. Het lijkt erop dat niet reageren gemakkelijker is en dat dit bij de beoordeling moet worden meegenomen. Over het algemeen is de score niet hoog en hebben onervarenheid en spanning bij de lopers een rol gespeeld. Sommige deelnemers kunnen zich door de aanwezigheid van de controleurs niet goed concentreren. Bovendien zijn de in de covers (emmertjes) geplaatste objecten niet goed zichtbaar en is deze test zodoende grotendeels een blinde test geworden wat niet de bedoeling was.

      Globaal krijgt deze test een overeenkomstige uitslag en beoordeling, indien het criterium van goed en fout wordt gebaseerd op elektrische en magnetische oorzaken voor het verkrijgen van een wichelroedereactie.
  • Een blinde test - Test 4
      Als laatste volgt een test waarbij 10 van de 20 objecten door toeval bepaald door de 20 genummerde covers (emmertjes) worden bedekt. De nummers op de emmertjes komen overeen met de positienummers die al met krijt geschreven op de vloer staan. De lopers bewegen individueel langs het traject, geheel zonder voorkennis over de verdeling van de objecten over het traject. Over de objecten zelf bestaat inmiddels door het voorgaande wel voorkennis, wat voorkomen had kunnen worden door o.a. een andere testvolgorde. Geheel analoog aan de beoordeling van de voorgaande test wordt nu als resultaat gevonden dat er drie van de 21 lopers scoren in het kritieke gebied (geen toeval meer) waar het beide vormen van goede uitslagen betreft: met en zonder wichelroedereactie en op grond van de individuele normen. Slechts 1 loper presteert het met goede uitslagen met reactie in het kritieke gebied te komen, terwijl dat bij 7 lopers lukt met goede uitslagen zonder wichelroedereactie.

      Van het totaal aantal mogelijke goede uitslagen met wichelroedereactie wordt bij deze test door alle lopers een score van 47% gehaald en zonder wichelroedereactie 62%. Weer is er een geringe overeenkomst tussen de lopers onderling en met hun eigen verwachting. Het verschil opgetreden tussen de percentages scores met wichelroedereactie en scores zonder reactie blijft bestaan. Dat niet reageren gemakkelijker is wordt duidelijk bevestigd, evenals het feit dat de score niet hoog is. De oorzaak ligt weer bij de onervarenheid en spanning bij de lopers. Globaal krijgt ook deze test een overeenkomstige uitslag en beoordeling, indien het criterium van goed en fout wordt gebaseerd op elektrische en magnetische oorzaken voor het verkrijgen van een wichelroedereactie.

      Er zijn 10 objecten bij deze test uitgesloten. De reden is dat een loper, die beweert alle objecten te kunnen vinden, nu moeite moet doen om dit waar te maken. Door de 10 ontbrekende objecten is echter een goede vergelijking met de voorgaande open test niet mogelijk, zodat over een eventueel ideomotorisch effect geen betrouwbare uitspraak kan worden gedaan.
  • Aanbeveling
      Daar .

      1. Het wichelroede effect nog niet kan worden ontkend.
      2. Over het ideomotorisch effect nog niet kan worden geoordeeld.
      3. Bij de test van 14 juni 2008 veel ervaring is opgedaan.
      4. Het wichelroedelopen toch moet kunnen worden aangeleerd.
      5. Er misschien meer interessante achtergronden tevoorschijn kunnen komen.
      6. En de opzet van de test verbeterd kan worden .

      Doorgaan met het onderzoek.


  • Deel 2: "Wichelroede proeven"
    (dr. R.Kortekaas)

  • Inleiding
      Een belangrijke vraag is of er mensen zijn die in staat om voorwerpen te detecteren met behulp van de wichelroede en dan met name als de wichelroede hun enige informatiebron is en de andere zintuigen (horen, zien, ruiken, etc) daarbij geen rol spelen. In een eerste pilot proef over het wichelroedelopen tijdens een workshop op 14 april 2007 is ruim boven kansniveau gescoord. De kans dat de verkregen uitslag toevallig zou optreden bedroeg 0,00026%. Een wetenschapper is over het algemeen bereid om iets aan te nemen als deze kans kleiner is dan 5%. Zie: De Vangspiegel 2007-5 of kijk op Waarnemen ... en dan?. Echter, deze proef was niet strict geblindeerd, degene die de doosjes neerlegde heeft ze ook gevuld, de neerlegger liep zelf ook mee en iedereen kon elkaar zien en dus benvloeden. Er was dus een betere proef nodig met de volgende aanbevelingen. De mensen moeten van tevoren zelf kunnen voorspellen wat ze kunnen vinden en uit die resultaten wordt een criterium van 'goed' en 'fout' bepaald. Er moet gezorgd worden voor voldoende lege emmertjes in het traject en de lopers dienen ook een leeg traject te lopen.
  • De test op 14 juni 2008
      De testruimte is opgedeeld in een wachtruimte-1, een trajectruimte en een wachtruimte-2. De lopers lopen het traject en vullen per persoon n formulier in. Zij zijn tijdens het neerleggen niet in de trajectruimte. De neerleggers leggen de voorwerpen neer. Zij zijn tijdens het lopen niet in de trajectruimte. De controleurs controleren of de lopers de voorwerpen niet aanraken. Zij zijn tijdens het neerleggen niet in de trajectruimte. De loper begint vanuit wachtruimte-1 en loopt eerst een compleet leeg open traject. De loper geeft op een formulier aan op welke posities een reactie is verkregen. De loper verlaat dan de trajectruimte en gaat naar wachtruimte-2.
      Over de eventuele 'vervuilde' posities langs het traject zijn de lopers het onderling niet eens. De testresultaten lijken door het toeval te worden bepaald. Vervolgens wordt een gevuld open traject gelopen langs 20 emmertjes in de trajectruimte waarvan alle met inhoud. De loper geeft weer op een formulier aan op welke posities een reactie is verkregen, verlaat de trajectruimte en gaat naar wachtruimte-2.

      Tenslotte wordt een gevuld blind traject gelopen langs 20 emmertjes in trajectruimte waarvan 10 met inhoud. De loper geeft weer op een formulier aan op welke posities een reactie is verkregen, verlaat de trajectruimte en gaat naar wachtruimte-2.

      Uit een vergelijking van de open en de blinde test blijkt dat voor de meeste lopers de prestaties niet zo verschillend zijn. Er bestaat voor de lopers een zekere correlatie tussen de aantallen goede scores bij de blinde test (y) en de open test (x) met vergelijking y = 0,5785x + 4,2973 met een kans van 2,7%. Een klein deel van de lopers doet de open test beter; een ander klein deel haalt betere resultaten op de blinde test en bij de grootste groep treden eigenlijk nauwelijks verschillen op tussen de goede scores bij de open en de blinde test.
  • Voorlopige conclusie
      Het lijkt erop dat sommige mensen inderdaad in staat zijn om voorwerpen te detecteren als de wichelroede hun enige informatiebron is. Herhaling van de metingen met deze mensen lijkt wenselijk. De hierbij benodigde statistiek zal nog nader moeten worden onderzocht.