Workshop wichelroede (4)





  • De komende test
      Om te beginnen werden enkele tipjes van de sluier opgelicht met betrekking tot de wetenschappelijke test die zo mogelijk nog voor de zomervakantie uitgevoerd zal worden. Ook daarvoor zal een zaterdagmiddag worden gereserveerd in de schuur van een boerderij in de omgeving van Appingedam. Langs een rechte lijn van zo'n 40 meter lengte zullen om de twee meter al of niet objecten worden neergelegd, die al of niet door genummerde emmertjes zullen worden bedekt. De bedoeling is dat de deelnemers met behulp van de wichelroede aangeven op welke posities zij een reactie ondervinden. Een belangrijke voorwaarde hierbij is dat de deelnemers geen voorkennis mogen hebben van de inrichting van het testtraject. De organisatie zal daar terdege rekening mee houden. De uitslag van de test zal worden vergeleken met de uitslag die volledig van het toeval afhangt. In eerste instantie zal geprobeerd worden om de vraag te beantwoorden of het wichelroedelopen bestaat.
  • Een voorbereidende proef
      In de tuin van de ASWA was een testtraject uitgezet met 10 genummerde emmertjes waaronder op willekeurige plaatsen 7 objecten waren verstopt. De 18 deelnemers liepen er één voor één met de wichelroede langs en noteerden de nummers van de posities (emmertjes) waarbij een reactie werd verkregen. Nog 11 van de deelnemers liepen daarna een tweede maal een zogenaamde nultest, waarbij alle objecten onder de emmertjes waren weggehaald. Ook in deze situatie werden op een aantal plaatsen reacties (storingen van het testveldje) verkregen. Over het algemeen werden de omstandigheden niet als ideaal ervaren. Het waaide erg hard, de bodem waarover gelopen moest worden was erg hobbelig en sommige deelnemers ondervonden hinder van elkaar. Bovendien kon iedereen zien wat onder de emmertjes werd neergelegd en hoe de lopers daarop reageerden. Er werd niets gedaan om het verkrijgen van voorkennis bij de deelnemers te voorkomen. De primaire uitslag van deze proeven (de reacties bij de testen 1 en 2) is in bijgaande figuren op pagina 7 in matrixvorm weergegeven.

      Over de vraag op welke posities de lopers correct hebben gereageerd, al of niet met een wichelroede reactie, kan in principe worden gediscussieerd. In dit geval wordt ervan uit gegaan dat het criterium voor goed en fout gebaseerd is op het feit dat een wichelroedeloper reageert op veranderingen van elektrische en/of magnetische velden. De reacties moesten dus alleen plaatsvinden bij de batterijen, het magnetiet, de trümmersteen en de trafo. Waar bij de nultest reacties werden verkregen op het testveldje wordt ervan uitgegaan dat ook daarvoor elektrische en/of magnetische oorzaken zijn aan te wijzen. Er bestaat overigens weinig overeenstemming tussen de lopers bij de beide testen.

      In totaal kunnen de testen 1 en 2, waarbij 18 lopers ieder op 10 posities moesten reageren, worden opgevat als een reeks van 180 deelexperimentjes met ieder 2 uitkomsten: "goed" of "fout". Indien hierbij alleen het toeval een rol zou spelen is de kans op een goede (of foute) uitkomst bij elk deelexperimentje gelijk aan 50%. Deze veronderstelling wordt de nulhypothese genoemd. De bijbehorende (binomiale) kansverdeling voor de aantallen "goede" uitkomsten laat onder andere zien dat volgens het toeval de kans op minimaal 102 goede uitkomsten hoogstens 5% bedraagt. Zou de wichelroedetest een dergelijke hoge score geven dan kan met een nauwkeurigheid van ten hoogste 5% beweerd worden dat het blijkbaar geen toevalsproces is geweest en dat de hoge uitkomst aan iets anders te danken is geweest, zoals de reactie van het lichaam op elektrische en magnetische velden.
      Een telling van het aantal goede scores bij test 1, voor het gemak aannemende dat volgens test 2 de storingen in het testveldje zich bevinden op de posities 2 en 4, komt uit op 87 van de 180. Dit resultaat komt goed overeen met de uitkomsten die volgens het toeval te verwachten zijn, zodat er van een wichelroede effect bij deze test geen sprake kan zijn geweest. Bovendien vallen de individuele resultaten van de deelnemers eveneens allemaal binnen het toevalsbereik. Misschien kunnen de verre van ideale omstandigheden en de onervarenheid van de deelnemers aan dit matige resultaat ten grondslag liggen. Verder onderzoek zal dit moeten uitwijzen.
  • De metalen armbandjes
      In het zaaltje werd tussendoor nog gekeken naar de reacties van de deelnemers op een groot en zichtbaar stuk ijzer met en zonder metalen armbandjes. Zonder de armbandjes werd bij 15 van de 18 deelnemers een reactie verkregen, terwijl het aantal reacties bij de deelnemers met armbandjes terugliep tot 7 van de 18, dus 11 lopers met geen reactie. De uitslag van de test zonder de armbandjes valt wel in het hoge kritische gebied (13 of meer) van de nulhypothese van het toeval, maar de uitslag van test met de armbandjes is daarvoor onvoldoende. De oorzaak van het effect dat er bij de test met de armbandjes minder wichelroedereacties optreden, zou misschien de invloed kunnen zijn van de gesloten metalen stroomkringen om de polsen die volgens de elektromagnetische wet van Lenz een dempende werking zouden kunnen hebben op een wichelroede reactie op een stuk ijzer. Het verdient zeker aanbeveling dit effect nader te onderzoeken.
  • Rondvraag
      De vraag kwam aan de orde of het wichelroedelopen beïnvloed wordt door de schijngestalte van de maan of de daglengte. Om hierop een antwoord te kunnen geven is een zeer langdurige reeks van steeds gelijke proeven nodig, zo mogelijk uitgevoerd door dezelfde personen.
    wtz / aamh


    Een blinde proef



    Verstoringen