Museum Stad Appingedam

Op donderdag 9 juli 2009 om 17.00 uur werd in het Museum Stad Appingedam de expositie "Weer en Sterrenkunde" geopend door voorzitter Wim Zanstra van de stichting Weer- en Sterrenkunde Eemsmond, die hierbij met een adviserende rol betrokken was. Bij de openingshandeling, de valproef van Galileo Galilei, vielen twee voorwerpen met verschillende massa tegelijk op de stenen vloer. Bovendien werd uitgelegd wat Appingedam met sterrenkunde te maken heeft. De expositie heeft alles te maken met het Internationale Jaar van de Astronomie 2009, waarbij herdacht wordt dat Galileo Galilei 400 jaar geleden voor het eerst met een (in Middelburg uitgevonden) sterrenkijker de zon, maan en planeten bestudeerde en tot de conclusie kwam dat de zon het centrum van rotatie is in plaats van de aarde. Het heliocentrische wereldbeeld werd door de waarnemingen bevestigd.
Ook Johannes Kepler maakte daar gebruik van en kwam in 1609 met zijn eerste twee wetten over de banen van de planeten om de zon voor de dag. In de expositie, die op initiatief van het museum tot stand kwam, komen diverse thema's aan de orde. In een begeleidend boekje, geschreven door Ellis Stok, wordt alles uitvoerig toegelicht. Het begint met een mooie definitie. Astronomie is de wetenschap die zich bezighoudt met de waarneming en beschrijving van objecten en gebeurtenissen buiten de aarde in het heelal. Daarbij wordt met veel succes geprobeerd om theoretische verklaringen te vinden voor de waargenomen verschijnselen en verwachtingen op te stellen voor toekomstige observaties. In de expositieruimte staan diverse modellen die de ideeŽn over hemel en aarde weergeven zoals die leefden in de geesten van de oude volken.
Zo zagen de BabyloniŽrs de aarde als een platte schijf drijvend in een grote oceaan en onder een vast hemelgewelf waarlangs zon, maan, planeten en sterren bewogen. Het idee van de Dierenriem of Zodiak stamt van de oude Grieken. Het gaat om een band aan de hemel waarlangs de zon, maan en planeten bewegen en die verdeeld is in 12 (nu 13) sterrenbeelden. De Griekse astronoom Eratosthenes deed omstreeks het jaar 250 voor het begin van de jaartelling volgens de Gregoriaanse kalender belangrijk onderzoek naar de vorm en de afmetingen van de aarde. De aarde zou een bol zijn met een omtrek die berekend werd uit de stand van de zon op twee verschillende plaatsen. Ook van het zonnestelsel zijn in de expositie verschillende modellen aanwezig. Zij zijn handig om uit te leggen dat de planeten inderdaad rond de zon draaien en dat men vanaf de aarde soms meerdere planeten dicht bij elkaar kan zien zonder dat dit een gevaar oplevert. De grootteverhoudingen tussen de zon en de planeten onderling zijn met behulp van modellen veel beter voor te stellen, ook al passen er 1.300.000 aardbollen in de zon.

In het museum is een aantal meteorieten tentoongesteld die de bewondering van de bezoekers wekken. Zij zijn afkomstig uit de ruimte, voornamelijk ontsnapt uit de planetoÔdengordel tussen de planeten Mars en Jupiter, maar ook losgeslagen als brokstukken van de maan of Mars. De grootste is een stuk ijzer van zo'n 140 kg. Evenals de maan is ook de aarde bezaaid geweest met inslagkraters. Veel daarvan zijn door de erosie nog slecht herkenbaar en andere zijn verloren gegaan in de oceanen. Bekende kraters zijn nu nog de Barringerkrater in Arizona en de Rieskrater in Duitsland, de eersten waarin in 1960 de bewijzen van inslag zijn aangetroffen als vervormingen van kwartskristallen. Zeer bekend is de inslag van een grote meteoriet in Mexico zo'n 65 miljoen jaar geleden, waarbij vele diersoorten (o.a. de dinosauriŽrs) zijn uitgestorven.
Ook de zonnewijzers hebben een belangrijk aandeel in de expositie. Zij zijn er in verschillende soorten, maten en modellen. Toch is er altijd ťťn principe terug te vinden in een zonnewijzer, namelijk de richting van de rotatieas van de aarde. Zonnewijzers geven de ware locale zonnetijd aan en de datum. De dagboog van de zon aan de hemel is immers 's zomers hoog en 's winters laag. De gebruikelijke tijdrekening op aarde is van de zonnetijd afgeleid en wordt door zeer nauwkeurige atoomklokken voortdurend gecontroleerd. De bedoeling is om het dag- en nachtritme en de seizoenen nauwkeurig bij te houden. Dit laatste geldt ook voor de meeste kalenders. Kalenders die gebaseerd zijn op de maanbeweging komen per jaar 11 dagen te kort om de seizoenen te kunnen bijhouden.
De sterrenkunde in Groningen komt in de expositie aan bod door een catalogus van professor Jacobus Cornelius Kapteyn, de eerste hoogleraar sterrenkunde aan de universiteit van Groningen. Hij deed onderzoek aan de eigen beweging van de sterren in de Melkweg en bedacht een plan om met verschillende sterrenwachten over de hele wereld het melkwegstelsel volledig in kaart te brengen. Het sterrenkundig instituut van Groningen is naar hem genoemd.

Niet alleen over de sterrenkunde, maar ook over het weer in het heden en in het verleden is in de expositie veel te leren. Er is uitgebreide informatie van het KNMI over de historie van de weerkunde in Nederland en ideeŽn over de klimaatverandering in de toekomst. Uit de archieven zijn veel beschrijvingen van de overstromingen uit het verleden opgedoken en van de weerman bij uitstek, Jan Pelleboer, zijn de persoonlijke attributen uitgestald. Hij bracht het weerverhaal op een voor iedereen begrijpelijke manier, gaf door improvisatietalent en humor succesvolle lezingen en handelde vaak naar eigen inzicht. Eťn van zijn uitspraken was: "Kijk nooit verder dan je neus lang is Ö en je neus is maar drie dagen lang!! De expositie in het Museum Stad Appingedam is nog te bezichtigen tot en met zondag 4 oktober. Op de dag dat dit geschreven wordt (23 september 2009) geeft weervrouw Harma Boer een presentatie over het "Weer van A tot Z" in het Oude Raadhuis van Appingedam en op 30 september houdt Wim Zanstra aldaar een praatje over "400 jaar telescoop in de sterrenkunde". Aanvang 19.45 uur.
(W.T. Zanstra)