Draconiden 2004




  • Inleiding
      Onderstaande waarnemingen van meteoren door Klaas Bus, Johan Immel, Ton Evenhuis en Rob Stammes op 9 t/m 13 oktober waren aanvankelijk niet bedoeld om de zwerm van de Draconiden te bestuderen. In de betreffende tijdschriften en jaarboeken was deze zwerm immers op zijn zachtst gezegd voor dit jaar ook niet opvallend aangekondigd. Toch waren de resultaten van dien aard dat daaruit misschien toch een bepaalde conclusie getrokken zou kunnen worden.
  • De waarnemingen
      Voor de duidelijkheid volgt nu een chronologische beschrijving van de gebeurtenissen. Op de avond van zaterdag 9 oktober was het zeer helder en droog. De maanfase bevond zich tussen Laatste Kwartier en Nieuwe Maan. Ton Evenhuis maakte van die gelegenheid gebruik om waarnemingen te doen, maar hij zag vanaf het Groene Laantje bij Appingedam tussen 23.00 uur en 00.15 uur (tijd in MEZT) in het noordoosten geen enkele meteoor en dus ook geen Draconiden. Draconiden zijn meteoren die schijnbaar afkomstig zijn uit een punt in het sterrenbeeld Draak, vlak bij de kop en op dit moment boven de staart van de Grote Beer aan de noordwestelijke hemel. De vangst van radiometeoren (reflecties van radiogolven door meteoren) op de apparatuur van Rob Stammes te Dirkshorn (Noord-Holland) was op deze avond tussen 19.00 uur en 23.00 uur “normaal” te noemen. Men spreekt van de zogenaamde sporadische achtergrond. Zijn antenne stond naar het oostnoordoosten gericht op een zender in Rusland.

      Een dag later op 10 oktober kwam er weer een heldere avond. Klaas Bus bevond zich op zijn waarnemingsplaats bij Hornhuizen en neemt in noordelijke richting kijkend 11 meteoren waar tussen 20.45 uur en 22.45 uur. Daarvan leken er 8 afkomstig te zijn uit een punt boven de Grote Beer. Deze meteoren bewogen van NNW naar W. Sommige iets omhoog, andere een beetje naar beneden. Achteraf leek het erop dat de radiant van deze meteoren dichter bij de Poolster lag dan die van de Draconiden. De bepaling ervan was echter enigszins globaal. Eén van de sporadische meteoren was fel lichtgroen van kleur. Op dezelfde avond zag Johan Immel te Niezijl tussen 19.00 uur en 20.00 uur drie meteoren uit dezelfde richting komen en was het bij de radio-ontvangst van Rob Stammes behoorlijk drukker dan de avond ervoor, ondanks het feit dat de signalen relatief zwak waren. Gealarmeerd door het voorgaande hield Rob Stammes in de avond van 11 oktober nogmaals zijn radio-ontvangst van meteoren in de gaten. Het aantal bleek weer te zijn toegenomen. De signalen waren sterker. Er was een maximum rond 23.30 uur. Weer een nacht later, op 13 oktober, telde Rob Stammes tussen 00.00 uur en 01.00 uur 39 radiometeoren.

      Dit aantal was weer lager en de signalen waren zwakker dan de nacht ervoor. Het leek erop dat de opleving voorbij was. ’s Avonds heeft Klaas Bus bij Hornhuizen tijdens een korte heldere periode na 20.30 uur geen meteoren meer gezien.
  • Draconiden
      Het is bekend dat het verschijnsel van een meteorenzwerm (een kortstondige en vaak jaarlijkse verhoging van de meteorenactiviteit) wordt veroorzaakt door het feit dat de aarde in haar baan rond de zon een zwerm kleine deeltjes passeert die eveneens rond de zon draaien, maar in een andere baan. Deze deeltjes die met snelheden tot mogelijk 80 km/s in de atmosfeer terecht komen veroorzaken daar de bekende lichtverschijnselen die meteoren worden genoemd. Doordat deeltjes van dezelfde zwerm gelijke snelheden hebben lijkt het vanaf de aarde alsof de lichtsporen uit één punt aan de hemel komen, de radiant. De naam van de zwerm wordt afgeleid van het sterrenbeeld waarin de radiant zich bevindt. De Draconiden ontspringen dus schijnbaar in een punt in het sterrenbeeld Draak, vlak bij de kop. (alpha = 262º of 17h 28m en delta = +54º). In de avonduren, begin oktober, staat de circumpolaire radiant redelijk hoog aan de hemel, wat gunstig is voor de waarnemingen. De deeltjes van deze zwerm komen met een snelheid van 20 km/s de atmosfeer binnen.

      Waar komen nu al deze kleine deeltjes vandaan? Het antwoord op deze vraag is eigenlijk eenvoudig. Het zijn de kometen die op hun reis rond de zon door de instraling materie verliezen in de vorm van o.a. waterdamp en kleine stofdeeltjes. Dat gebeurt vooral in het deel van de baan dat het dichtst bij de zon ligt. Deze verloren deeltjes reizen op hun beurt in nagenoeg dezelfde baan de komeet achterna rond de zon, zodat de baan van de komeet zich kenmerkt door de aanwezigheid van kleine stofdeeltjes, die echter niet gelijkmatig over de hele baan verspreid hoeven te liggen.

      Zo nu en dan kan het voorkomen dat de banen van de aarde en een komeet elkaar in de ruimte snijden. Dat kan soms zelfs in twee punten het geval zijn. In dat geval zal de aarde jaarlijks één of twee maal de door de komeet verloren stofdeeltjes kunnen ontmoeten en daardoor een verhoogde meteorenactiviteit te zien geeft. De zogenoemde moederkomeet van de Draconiden is de op 20 december 1900 ontdekte komeet 21P/Giacobini-Zinner met een omloopstijd om de zon van 6,758 jaar. Ieder jaar rond 8 oktober passeert de aarde de baan van deze komeet. Toch leidt dat niet elk jaar tot een verhoging van de meteorenactiviteit, reden waarom de jaarboeken daar dit jaar geen melding van hebben gemaakt. De deeltjes zijn nog weinig verstrooid over de baan van de komeet.

      Uit het recente verleden is bekend dat er in de jaren 1933 en 1946 enorme “sterren-regens” zijn opgetreden ten gevolge van de passage van de aarde door de baan van komeet Giacobini-Zinner. Op 9 oktober 1933 werd in de vroege avond een rijke regen van Draconiden waargenomen, 80 dagen nadat de komeet het ontmoetings-punt tussen beide banen gepasseerd was. Het verschijnsel duurde slechts enkele uren en tijdens het maximum werden zo’n 350 meteoren per minuut geteld.

      Pas in 1946 was het weer raak doordat de omstandigheden gunstig waren. De aarde passeerde in de nacht van 9 op 10 oktober het snijpunt van de beide banen weer slechts korte tijd nadat de komeet zich daar bevond. De analen vermelden dat er toen tijdens het maximum in Groningen 60 meteoren per minuut werden geteld, een stuk minder dan in 1933. Door het sterke maanlicht zijn blijkbaar veel zwakkere meteoren niet gezien.
      Kleinere oplevingen van de Draconiden vonden plaats op 9 oktober in 1926 en 1952 en op 8 oktober 1985 en 1998. Uit de waarnemingen is af te leiden hoe de deeltjes van komeet Giacobini-Zinner over de baan verdeeld zijn. Door de storende werking van de reuzenplaneet Jupiter op de beweging van de komeet is het trouwens niet uitgesloten dat de Draconiden uiteindelijk niet meer kunnen worden waargenomen.

      De laatste keer dat komeet Giacobini-Zinner in de buurt van de zon en de aarde is geweest (het perihelium is gepasseerd) was in november 1998. Op 8 oktober van dat jaar, het moment waarop de aarde de baan van de komeet doorkruiste, zou het nog 50 dagen duren, voordat de komeet in het snijpunt aankwam. Het optreden van een verhoogde Draconiden-activiteit zou dan betekenen dat er zich ook stofdeeltjes in de komeetbaan bevinden voor de komeet uit. De verwachte waarnemings-omstandigheden voor West-Europa waren niet gunstig en de maan zou behoorlijk kunnen storen. Toch is het ondermeer de radiowaarnemers gelukt gedurende enkele uren een duidelijke piek van grote uuraantallen Draconiden te lokaliseren rond het tijdstip 13.12 UT. Een mini herhaling vond een jaar later plaats.
      Halverwege het jaar 2005, in juli, zal komeet Giacobini-Zinner weer in de buurt van de zon en de aarde komen. In de aanloop daar naartoe werd een kleine opleving van Draconiden verwacht op 8 oktober 2004 in de vroege avonduren. Een nieuwe opleving zou kunnen plaatsvinden in de nacht van 8 op 9 oktober 2005.
  • Conclusie
      Ondanks het feit dat de nu in 2004 waargenomen radiant iets afwijkt en dat de toename van de meteorenactiviteit een paar dagen na het “officiële” maximum plaatsvond, kan men toch geneigd zijn een en ander aan een tussentijdse opleving van de Draconiden toe te schrijven.
    Wim Zanstra

    Om verder te lezen:

    www.dmsweb.org
    www.astro.uu.nl
    www.amsmeteors.org
    Kometen en vallende sterren (dr. H. Groot, 1950)
    Journal of the International Meteor Organization (juni 2003 en juni 2004)